Mijn lievelingsknuffel toevertrouwd aan mijn vader

Schrijver: Kees

Als kind van anderhalf jaar werd ik ziek en ik werd opgenomen in het ziekenhuis. Het bleek dat er meerdere ontstekingen in mijn longen waren en al snel gaven de artsen mijn ouders geen hoop meer. Mijn vader leverde me af en hij had er erg moeite mee om zijn kleine peuter achter te laten.

Ik weet het natuurlijk zelf niet meer, maar mijn vader vertelde me dat ik op dat moment mijn lievelingsknuffel aan hem gaf. En het schoot door zijn gedachten: “zoals mijn jongetje zijn knuffel toevertrouwd aan zijn vader zo moet ik dat ook doen!”. Het heeft hem echt geholpen!

Dat weekend lag ik op sterven. In die tijd was het blijkbaar niet gebruikelijk dat ouders dan bij hun kind bleven, want mijn ouders mochten op zondagmorgen de arts bellen. Mijn vader deed dat (dat was in 1956 dus hij zal een telefooncel gezocht hebben) en hij kreeg de kinderen van de arts aan de lijn, die hem vertelden dat hun vader er niet was “want die was bij een heel ziek kindje wat sterven ging”.

Die zondag om een uur of half elf zag de arts dat ik ging zitten. De arts dacht dat dat de laatste opleving voor de dood was (komt meer voor) en lette extra op. Maar ik heb wat gedronken en ben toen in slaap gevallen. ’s Middags was de koorts weg en leek ik genezen. De ontstekingen waren inderdaad compleet weg. Alleen littekenweefsel getuigt er nog van. Later bleek, dat ik rechtop ben gaan zitten op het moment dat in de kerk voor mij gebeden werd…

We hebben een Grote God!!! Ik ben altijd astmatisch gebleven; het leven van een kind van God gaat ook niet over rozen, maar ik heb me vaak in dankbare verwondering afgevraagd waarom de Here God mij destijds gepaard heeft.

Op zieken zullen zij de handen leggen…

“God doet nog steeds wonderen”

Schrijver: Joop

Telkens wanneer ik de tekst voor ogen zie of hoor van: “Op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden!”, wordt ik geconfronteerd met een gebeurtenis uit mijn leven, die dan aan mijn geestes-oog voorbij trekt. Het was een warme dag. Een donderdag in September 1976.

Ik gaf leiding aan de Technische Storings-Dienst van IBM in Eindhoven. De TSD was die morgen al vroeg begonnen de storingsmeldingen te verdelen over een groep technici, die verdeeld waren over drie provincies. Toen ik de meldingskamer binnen kwam, heerste er kalmte en rust, ondanks de telefoons die voortdurend rinkelden. Een dag als zovele anderen en het liet zich aanzien dat het die dag minder druk zou worden dan anders. Zoiets voel je aan als je een poosje meedraait. Om drie uur even na het thee drinken gaat de telefoon in de kantoorruimte waar ik zat. Een van de medewerkers van de meldingskamer vroeg mij of ze de politie aan mij door mochten verbinden. Deze liet mij weten dat een technicus uit mijn groep met auto en al door een trein gegrepen was en na drie kwartier zoeken in een greppel meer dood dan levend was terug gevonden. Hij werd met spoed naar het ziekenhuis te Breda vervoerd. Het was een aardige vent, een ranke Indonesiër, die altijd voor iedereen klaar stond. Nooit te beroerd om nog wat extra’s te doen voor collega’s als die overbezet waren. Juist hij, zo’n alleraardigste man en goede collega, komt door de laagstaande zon op een onbewaakte overweg met zijn lelijke eend voor de trein, die in volle snelheid op hem in knalt. Hijzelf werd de auto uitgeslingerd en vond de dood, dacht men. Maar in het ziekenhuis bleek hij nog te leven. Hoe de auto eruit zag, kan ik niet beschrijven, het was een onvoorstelbaar hoopje ijzer wat er lag.

Ik ben direct na het ziekenhuisbezoek, op de plaats van het ongeluk, wezen kijken. Het veldje naast de spoorbaan, net omgeploegd door de boer, lag bezaaid met auto en computeronderdelen. Hij had juist die ochtend aanvulling gekregen van nieuwe onderdelen. Een pietje precies, zoals hij was, was alles al uitgepakt en in laadjes en doosjes opgeborgen. Er was niets meer heel! Hijzelf ook niet!

Bij mijn bezoek aan hem zei de behandelend specialist: “Als er geen Godswonder gebeurt, dan is het afgelopen met hem en haalt hij de ochtend niet.” Zijn bekken is volkomen verbrijzeld en ligt in duizend stukjes in zijn buik verspreidt. Wij kunnen zelfs geen gipsen korset aanbrengen.

“Als er geen Godswonder gebeurt dan is het afgelopen met hem en haalt hij de ochtend niet…”

Wij hebben hem op uw verzoek de beste kamer gegeven van het ziekenhuis. U mag naar hem toe, maar u kunt daar alleen maar kijken en verder niets. Ik werd alleen gelaten om mijn emotie’s de vrije loop te kunnen laten.

Toen dacht ik aan de woorden uit Marcus: “Op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden.” Nog niet eerder had ik dit mogen of kunnen doen en schichtig om mij heen kijkend legde ik mijn handen op dit verscheurde en gebroken lichaam. Ik durfde het eigenlijk niet en vond het ook een beetje raar staan. Stel je voor, de arts komt binnen, die zou zeggen: “Man raak hem niet aan, want alles is teveel.” Maar dat gebeurde niet. Ik heb door handoplegging met deze jonge man gebeden en heb daarna de ziekenkamer verlaten en ben via een omweg, via de plaats van het ongeluk, teruggereden naar mijn werk.

Het Godswonder waar de specialist over sprak was inderdaad gebeurd.

Diezelfde nacht nog kwam de genezing waardoor hij de volgende dag weer aanspreekbaar was! Tijdens vele maanden daarna zocht nieuw kraakbeen zich een weg in de buik van deze man, waardoor het bekken zich herstelde en hij na genezing alleen aan zijn linkervoet een schoen moest dragen waarvan de hak één centimeter hoger was dan de rechterschoen. Ik denk nog steeds dat dat een grapje van God is geweest om te laten zien hoe groot Zijn Majesteit is en voor de jongeman steeds weer een reden is om er over te spreken met een ieder die het maar wil horen! Hij loopt, hij werkt en kan alles weer doen gelijk een ander mens.