Op zieken zullen zij de handen leggen…

Joop

Telkens wanneer ik de tekst voor ogen zie of hoor van: “Op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden!”, wordt ik geconfronteerd met een gebeurtenis uit mijn leven, die dan aan mijn geestes-oog voorbij trekt. Het was een warme dag. Een donderdag in September 1976.

Ik gaf leiding aan de Technische Storings-Dienst van IBM in Eindhoven. De TSD was die morgen al vroeg begonnen de storingsmeldingen te verdelen over een groep technici, die verdeeld waren over drie provincies. Toen ik de meldingskamer binnen kwam, heerste er kalmte en rust, ondanks de telefoons die voortdurend rinkelden. Een dag als zovele anderen en het liet zich aanzien dat het die dag minder druk zou worden dan anders. Zoiets voel je aan als je een poosje meedraait. Om drie uur even na het thee drinken gaat de telefoon in de kantoorruimte waar ik zat. Een van de medewerkers van de meldingskamer vroeg mij of ze de politie aan mij door mochten verbinden. Deze liet mij weten dat een technicus uit mijn groep met auto en al door een trein gegrepen was en na drie kwartier zoeken in een greppel meer dood dan levend was terug gevonden. Hij werd met spoed naar het ziekenhuis te Breda vervoerd. Het was een aardige vent, een ranke Indonesiër, die altijd voor iedereen klaar stond. Nooit te beroerd om nog wat extra’s te doen voor collega’s als die overbezet waren. Juist hij, zo’n alleraardigste man en goede collega, komt door de laagstaande zon op een onbewaakte overweg met zijn lelijke eend voor de trein, die in volle snelheid op hem in knalt. Hijzelf werd de auto uitgeslingerd en vond de dood, dacht men. Maar in het ziekenhuis bleek hij nog te leven. Hoe de auto eruit zag, kan ik niet beschrijven, het was een onvoorstelbaar hoopje ijzer wat er lag.

Ik ben direct na het ziekenhuisbezoek, op de plaats van het ongeluk, wezen kijken. Het veldje naast de spoorbaan, net omgeploegd door de boer, lag bezaaid met auto en computeronderdelen. Hij had juist die ochtend aanvulling gekregen van nieuwe onderdelen. Een pietje precies, zoals hij was, was alles al uitgepakt en in laadjes en doosjes opgeborgen. Er was niets meer heel! Hijzelf ook niet!

Bij mijn bezoek aan hem zei de behandelend specialist: “Als er geen Godswonder gebeurt, dan is het afgelopen met hem en haalt hij de ochtend niet.” Zijn bekken is volkomen verbrijzeld en ligt in duizend stukjes in zijn buik verspreidt. Wij kunnen zelfs geen gipsen korset aanbrengen.

“Als er geen Godswonder gebeurt dan is het afgelopen met hem en haalt hij de ochtend niet…”

Wij hebben hem op uw verzoek de beste kamer gegeven van het ziekenhuis. U mag naar hem toe, maar u kunt daar alleen maar kijken en verder niets. Ik werd alleen gelaten om mijn emotie’s de vrije loop te kunnen laten.

Toen dacht ik aan de woorden uit Marcus: “Op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden.” Nog niet eerder had ik dit mogen of kunnen doen en schichtig om mij heen kijkend legde ik mijn handen op dit verscheurde en gebroken lichaam. Ik durfde het eigenlijk niet en vond het ook een beetje raar staan. Stel je voor, de arts komt binnen, die zou zeggen: “Man raak hem niet aan, want alles is teveel.” Maar dat gebeurde niet. Ik heb door handoplegging met deze jonge man gebeden en heb daarna de ziekenkamer verlaten en ben via een omweg, via de plaats van het ongeluk, teruggereden naar mijn werk.

Het Godswonder waar de specialist over sprak was inderdaad gebeurd.

Diezelfde nacht nog kwam de genezing waardoor hij de volgende dag weer aanspreekbaar was! Tijdens vele maanden daarna zocht nieuw kraakbeen zich een weg in de buik van deze man, waardoor het bekken zich herstelde en hij na genezing alleen aan zijn linkervoet een schoen moest dragen waarvan de hak één centimeter hoger was dan de rechterschoen. Ik denk nog steeds dat dat een grapje van God is geweest om te laten zien hoe groot Zijn Majesteit is en voor de jongeman steeds weer een reden is om er over te spreken met een ieder die het maar wil horen! Hij loopt, hij werkt en kan alles weer doen gelijk een ander mens.

Conclusie onderzoek: God bestaat

Vincent

Van huis uit ben ik niet christelijk opgevoed. In de periode april, mei en juni 2005 deed ik onderzoek binnen een charismatische evangelische kerk. Dat was in het kader van mijn eerdere studie Culturele Antropologie. Beter bekent als Volkenkunde.

Eén van de redenen dat ik die kerk als thema van onderzoek koos, was dat ik zelf veel familieleden heb in de zending, maar ik weinig van hun handelen begreep.

Ik zag veel genezingsdiensten, maar ik vroeg me toch af of het echt was. Was het geen acteerwerk? Dan komt er bijvoorbeeld een acteur in een rolstoel binnen rijden en na de dienst is hij “genezen”. Halleluja!

Er kwam een einde aan mijn onderzoek binnen die gemeenschap. Maar omdat mijn nieuwsgierigheid nog niet gestild was, besloot ik die zondag, op 3 juli 2005, daarna nog één keer naar de kerk te gaan.

Die avond was er een jongerendienst. Je moet je voorstellen. Honderden, soms duizend jongeren, bij elkaar in het halve donker. Een plek waar je redelijk anoniem zou kunnen pionieren.

De spreker van die avond was een artistieke en authentieke persoonlijkheid. Wat mij verbaasde, omdat ik zulke mensen weinig ben tegen gekomen tijdens mijn onderzoek. Hij had een eenvoudige preek, en wijkte regelmatig af naar een mop of een leuke anekdote.

In eens begon hij: “Heeft er iemand een zilverkleurige auto gekocht?” Een jongen stond op. Dit verbaasde me niet, want we waren met zevenhonderdvijftig jongeren en in één van de rijkste omgevingen in Nederland. Niet erg onder de indruk dus.

“Iemand heeft heel erg last van zijn maag…”, er stond weer iemand op. Er ging een gebedsteam op af. Moest er niet aan denken dat er zo’n team naar mij toe ging. Een stel vreemde mensen die op je af rennen, om je heen gaan staan en in vreemde klanken beginnen te bidden.

Ik begon te rekenen: “Het is acht-negen uur. Twee-drie uur geleden heeft iedereen gegeten. Er zal er toch wel eentje last van zijn maag hebben.” Gewoon een gok dus.

Ik voelde iets in de atmosfeer.

Toen gebood hij ons op de knieën te gaan voor Jezus. Daar ging iedereen. Honderden jongeren in het halve donker gingen knielen voor Jezus. Ik wilde niet te veel opvallen. Het is alleen niet fijn om op de knieën te gaan, als je er verschrikkelijke last van hebt. Maar er zat op dat moment weinig anders op.

Er gebeurde daarna ontzettend veel, maar heb veel gemist, omdat ik zat te draaien van de pijn. “Zal ik opstaan of niet”, ging het door mijn hoofd. “Ja, maar dat valt zo op.” Dus bleef ik zitten.

Eén zin trok me de aandacht:
“Iemand hier heeft al een tijdje een hele zere knie.”

Ik keek in het rond. Het was moeilijk om kritisch te blijven. Achter me, voor me en naast me. Er stond niemand op.

Ik keek even naar mijn moeilijke knielhouding. Ik verging van de pijn. Maar was vastbesloten om niet op te staan. Moest er niet aan denken dat er een gebedsteam op me afgestuurd zou worden.

In vol vertrouwen begon hij hardop te bidden:
“Vader in de hemel.Dank u wel Jezus, dat u niet alleen Redder bent, maar dat U ook een Genezer bent. En op dit ogenblik, die kniekap, of wat het ook is, in de naam van Jezus… Ik spreek genezing uit…”.

En op dat moment, in een seconde. Weg was de pijn.
Ik was verbijsterd. Nog niet van plan om op te staan en het gebedsteam op me af te laten komen, maar wel verbijsterd. Stil was het in mijn brein. Ik tikte mijn buurman aan. Vroeg of hij een geheimpje kon bewaren. En dat kon hij.

Daarna heb ik mijn hart geopend. Een influx van pure liefde en energie stroomde naar binnen. Maanden achtereen heb ik goddelijke leiding, liefde en onderwijs ontvangen. God is goed.